20 april 2017 | Flash Glucose Monitoring

3 vragen over Continu Glucose Monitoring

Een continuglucosemeter is een belangrijk hulpmiddel. Maar er kunnen weinig mensen gebruik van maken. Wij vinden dat Continu Glucose Monitoring (CGM) in de vergoeding van hulpmiddelen moet en uit het ziekenhuisbudget. Journalist Toine de Graaf spreekt directeur Olof King over de beweegredenen.

 

Als jij in jouw ziekenhuis de zesde in de rij bent en er maar vijf gebruik kunnen maken van een continue sensor, heb je het nakijken. - Olof King, directeur DVN

Waarom zet DVN zich hiervoor in?

“Als je hypo’s niet tijdig voelt aankomen, ook bekend als hypo-unawareness, helpt continu glucose monitoring. Dat kost ongeveer 85 euro per week en zit in het ziekenhuisbudget. Hierdoor ontstaat een soort ‘postcode-gezondheidszorg’.

Als jij in jouw ziekenhuis de zesde in de rij bent en er maar vijf gebruik kunnen maken van een continue sensor, heb je het nakijken. Daarom willen we dat het uit het ziekenhuisbudget gaat en op een andere manier in de zorgverzekering komt.”

Welke voordelen heeft CGM op de werkvloer?

“Hypo unawareness belemmert het functioneren, soms zodanig dat men het werk niet meer kan uitvoeren. Zeker als je een mobiele of risicovolle functie hebt. Los daarvan: het sloopt je. Na bijvoorbeeld een diepe hypo word je ‘s morgens wakker met te hoge waarden en bent dan al door je energie heen.

Flash Glucose Monitoring, waar de Freestyle Libre onder valt, kan ook een rol spelen op de werkvloer. Maar die heeft geen alarmfunctie. Bij CGM reageert de alarmfunctie bij afwijkingen in je glucosewaarden. Je wordt dag en nacht gewaarschuwd als de waarden stijgen of dalen, of onder of boven bepaalde waarden komen. Je kunt dan snel maatregelen nemen, zodat je de hele dag door inzetbaar bent.”

Wat doet DVN?

“We zijn begonnen bij de zorgverzekeraars. We zijn nu in gesprek met VGZ, om de problematiek goed vast te stellen. Hoeveel mensen betreft het precies? Vindt de verzekeraar óók dat dit niet de manier is? We verzamelen eerst zoveel mogelijk informatie. Daarna gaan we ons tot de politiek wenden en in gesprek met het Zorginstituut.”